Geschiedenis in vogelvlucht

Gemeenten

 

SINT-NIKLAAS

Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat er in Sint-Niklaas reeds bewoningsactiviteit was
voor de Romeinse tijd. Vermoedelijk bestond er bij het begin van de christelijke tijdrekening
echter nog geen gestructureerde nederzetting. De vicus Pontrave (Waasmunster), gelegen aan de
Durme, vormde tijdens de Romeinse periode het economische centrum van het Waasland. Vanaf
het einde van de derde eeuw na Christus ging de Gallo-Romeinse beschaving teloor. Frankische
volksstammen vestigden zich in het Waasland. Vanuit het klooster van Waasmunster werd de
heidense bevolking, die leefde van landbouw en veeteelt, gaandeweg gekerstend door
rondreizende monniken.
Onder impuls van pastoor Daniël van Waasmunster richtte de Doornikse bisschop Gosuinus in
1217 een zelfstandige Sint-Nicolaasparochie op, onafhankelijk van Waasmunster. In een oorkonde,
gericht aan gravin Johanna van Constantinopel, wees de bisschop erop dat de afstand tussen beide
dorpen de geloofspraktijk hinderde. Om de levensvatbaarheid van de nieuwe parochie te
garanderen drong hij er bij de gravin op aan gronden ter beschikking te stellen voor het optrekken
van een kerk en priesterverblijven. In 1219 schonk gravin Johanna effectief zes bunders "woestine"
aan de Sint-Nicolaasparochie. Deze circa acht hectaren braakliggende grond lagen langs de
huidige Ankerstraat: het waren de zogenaamde "papenakkers" of "priesteragie"-gronden.
De toewijding van kerk en parochie aan de Heilige Nicolaas, patroon van de handelaars, duidde op
het mercantiele karakter van de nederzetting. Tot 1558 stond de parochie onder de supervisie van
de bisschop van Doornik, daarna kwam zij onder het gezag van de Gentse bisschop. Samen met de
abdijen van Boudelo (Sinaai), Roosenberg (Waasmunster) en Nieuwenbos (Sint-Gillis) traden de
bisschoppen op als tiendenheffers.
De machtspolitiek van de graven van Vlaanderen, die van oudsher op gespannen voet leefden met
de heren van Beveren, zorgde voor een versnelde ontwikkeling van Sint-Niklaas. De spoedige
uitbouw van een vrije, handelsgerichte en goed georganiseerde gemeenschap in het hart van het
Waasland was voor hen van primordiaal belang in hun concurrentiestrijd met de feodale landadel.
In 1241 kreeg Sint-Niklaas het statuut van administratief centrum van de regio door de
uitvaardiging van de Keure van het Land van Waas. Door deze wettekst werden alle grafelijke
domeinen van de streek onder het beheer gesteld van het hoofdcollege, dat zou zetelen te Sint-
Niklaas. Het hoofdcollege bestond uit zeven voor het leven benoemde schepenen en werd
bijeengeroepen en voorgezeten door de baljuw, die de rechtstreekse vertegenwoordiger was van
de graaf. De Keure stipuleerde dat het college recht moest spreken als beroepshof voor de Wase
dorpsvierscharen.
De bijzondere band tussen de graven van Vlaanderen en de Sint-Nicolaasparochie werd in 1248
definitief bezegeld door een nieuwe schenking van zes bunders grond ten westen van de kerk.
Margareta van Constantinopel stond het terrein af onder de voorwaarde dat het voor altijd
onverdeeld en onbebouwd zou blijven. Het zou moeten dienst doen "ad communem usum
omnium", met andere woorden voor het algemeen welzijn. De schenkingsakte van 1248 ligt aan
de basis van de uitzonderlijke omvang van het Sint-Niklase marktplein, dat met 3, 19 hectaren het
grootste van het land is.
Door de bloei van de vlasteelt en de wolproductie en door de gunstige geografische ligging op het
kruispunt van belangrijke verbindingswegen tussen Zeeland en Brabant enerzijds en Antwerpen,
Brugge en Gent anderzijds groeide Sint-Niklaas langzamerhand uit tot het voornaamste
handelscentrum van het Waasland. Pas in 1513 kreeg de parochie de officiële toestemming
vanwege de Habsburgse keizer Maximiliaan om "sdonderdaghs voor den noenen" een wekelijkse
markt te houden. De bestaande decemberjaarmarkt rond de feestdag van de Heilige Nicolaas werd
door hetzelfde keizerlijk octrooi bevestigd. In 1578 werd Sint-Niklaas begunstigd met een tweede
jaarmarkt, die tot 1820 gehouden werd in de eerste week van september. Vanaf 1821 werd de
zomerjaarmarkt verplaatst naar de eerste week van mei.
De nooit ommuurde of omwalde gemeente was een gemakkelijke buit voor de opeenvolgende
machthebbers en hun krijgsheren, die herhaald hun soldaten inkwartierden in de Sint-Niklase
herbergen of bij particulieren en die het plaatselijke bestuur belastten met allerhande opeisingen.
De bevolking werd tijdens de veertiende en vijftiende eeuw meegesleurd bij de Gentse rebellie
tegen de hertogen van Bourgondië en Habsburg. In 1381 werd het dorp platgebrand en
geplunderd. Tijdens de tweede reformatorische opstand van 1578-1584 werd de Sint-Nicolaaskerk
zwaar beschadigd door beeldenstormers.
De ingenieuze teeltrotatie, die in Sint-Niklaas en omstreken in de loop der eeuwen ontwikkeld
was, bezorgde het Waasland in de zeventiende eeuw internationale vermaardheid als de "tuin van
Vlaanderen". Rijke oogsten van vlas, graansoorten, aardappelen en rapen verstevigden de positie
van Sint-Niklaas als draaischijf voor de verhandeling van landbouwproducten. De verbouwingen
van het Landhuis (1610 en 1635) en het optrekken van de Cipierage en het Prochiehuis (1662-
1664) bevestigden de groeiende status van de gemeente. De maatschappelijke stabiliteit en de
demografische expansie op het einde van het Spaanse bewind begunstigde de vestiging van drie
kloostergemeenschappen in de buurt van het centrum: de oratorianen, de minderbroeders en de
zwartzusters. Zij legden zich toe op onderwijs, pastoraal werk, zieken- en armenzorg.
Op 25 mei 1690 werd Sint-Niklaas geteisterd door een rampzalige brand, die ontstaan was in een
jeneverstokerij in de Kalkstraat. Niet minder dan 565 huizen werden verwoest. Het dak en de toren
van de Sint-Nicolaaskerk werden in lichterlaaie gezet.
In de achttiende eeuw profiteerde Sint-Niklaas van de economische vooruitgang onder
Oostenrijkse voogdij. Het traditionele patroon van kleinschalige nijverheden zoals olieslagerijen,
garenspinnerijen, brouwerijen en artisanale steenbakkerijen werd doorbroken door de oprichting
van pre-industriële wolweverijen in de eerste helft van de eeuw. In 1764 begon de eerste
industriële katoenweverij te werken. Het was de start van een intensieve ontwikkeling van de
textielproductie, die Sint-Niklaas omstreeks 1830 transformeerde tot de voornaamste Oost-
Vlaamse industriestad na Gent.
De bezetting door de Franse republikeinen (1794-1815) betekende zowel het einde voor de
instellingen van het ancien regime als de invoering van een modern administratief apparaat.
Kloosterorden werden afgeschaft, kerken werden gesloten en hun bezittingen werden in beslag
genomen en verkocht. Eind 1798 vond de Boerenkrijg plaats, een kortstondige maar hevige revolte
van de plattelandsbevolking tegen de Fransen. In 1803 bracht consul Napoleon Bonaparte een
bezoek aan Sint-Niklaas, dat hij het jaar daarop tot stad bevorderde op grond van het
inwoneraantal (ca. 11.000).
Na de Belgische omwenteling kwam de Sint-Niklase economie in een diep dal terecht, onder meer
door het wegvallen van commerciële transacties met Nederland en zijn kolonies. De aansluiting
van de stad op het nationale spoorwegennet rond 1850 bracht een positieve kentering teweeg en
was de motor van een krachtige relance en een grootscheepse stadsuitbreiding. De textielbranche
schakelde met succes over op het vervaardigen van met wol gemengde stoffen, wollen
fantasieweefsels en later ook tapijten en breigoedartikelen. De inplanting van stations leidde tot
de realisatie van nieuwe woonwijken: de Stationswijk (1846-1904) en de Aerschotwijk (ca.1877).
De bouw van het neoclassistische stadhuis (1841-1844), de Onze-Lieve-Vrouwekerk (1841-1844)
en talrijke statige burgerhuizen op het westelijk gedeelte van het marktplein gaf allure aan het
nieuwe stadskwartier. Het stadhuis brandde in 1874 af en werd vervangen door een stijlvol
neogotisch gebouw met een belforttoren (1876-1878).
De verzorging van hulpbehoevenden en kansarmen werd vanaf het midden van de negentiende
eeuw grotendeels verricht door hospitalen en rusthuizen. Deze instellingen werden ingeplant in
een aantal op elkaar aansluitende straten, zoals de Lodewijk De Meesterstraat en de Sint-
Vincentiusstraat, wat het ontstaan van een specifieke wijk tot gevolg had.
De Eerste Wereldoorlog vertraagde tijdelijk de industriële en urbanistische ontwikkeling van de
stad. Tijdens het interbellum floreerde de textielnijverheid, maar ook de bouwsector en de
metaalconstructie deden het goed. Moderne woonwijken met een charmant art deco-karakter
ontstonden tussen beide oorlogen: de Koningin Elisabethwijk (ten noordoosten van de stadskern),
de Mgr. Stillemanswijk (zuiden), de Paddeschoot- en de Spoorwegwijk (noordwesten).
De textielindustrie kreeg na de Tweede Wereldoorlog af te rekenen met een structurele crisis. Een
dynamische reconversiepolitiek kon het tij keren. Ten oosten en ten zuiden van de stedelijke
agglomeratie werden industrieterreinen met een gezamenlijke oppervlakte van ca. 170 hectaren
aangelegd en uitgerust met de nodige infrastructuur. Gelegen in de nabijheid van de E17 vormen
zij een belangrijke tewerkstellingspool. De historische stadskern evolueerde tot een winkel- en
dienstencentrum. De woonzone verdubbelde door de toevoeging van alweer nieuwe wijken, zowel
in het zuidelijke stadsgedeelte (Priesteragiewijk, Hogenakkerwijk, Baenslandwijk en Bormswijk)
als ten noorden van de spoorweg Antwerpen-Gent (Lepelhoekwijk, Sparrenhofwijk, Clementwijk).
Het Koningin Fabiolapark groepeert vijf grote appartementsblokken. Aan de overkant van de Prins
Alexanderlaan verrees een eigentijds koopcentrum.
Op 1 januari 1977 fusioneerde Sint-Niklaas met de gemeenten Belsele, Sinaai en Nieuwkerken en
bestrijkt daarmee thans een oppervlakte van 8818 hectaren. Bij de fusie telde de stad 67.818
inwoners. Het bevolkingscijfer is sedertdien maar lichtjes gestegen. Op 1 januari 1998 waren er
68.035 Sint-Niklazenaars.

BELSELE

Vanwege diverse bodemvondsten uit de Late Ijzertijd en de Gallo-Romeinse periode wordt Belsele
als één van de oudste Wase nederzettingen bestempeld. Fundamenten van een Romeinse villa in
de wijk Steenwerk ondersteunen het vermoeden dat de dorpskom ontstond langs de baan
Antwerpen-Gent-Rijsel.
De benaming Belsele komt al voor in documenten uit de negende eeuw. Het achtervoegsel -sele
verwijst naar een Frankische oorsprong. In de tweede helft van het eerste millennium was er
wellicht een kleine Frankische landbouwgemeenschap gevestigd op de Belseelse heide.
In 1217 werd Belsele een autonome parochie. De merkwaardige Sint-Andreas- en Ghislenuskerk
dateert uit de dertiende eeuw; het is een herhaaldelijk verbouwde gotische kruiskerk met sporen
van Romaanse architectuur in de benedenkerk en de torenbasis. De kerk bezit een rijk
patrimonium, voornamelijk uit de zeventiende en achttiende eeuw. Het Van Peteghemorgel is in
1784 gebouwd.
Door toedoen van gravin Johanna van Constantinopel werd Belsele eveneens in 1217
administratief verenigd met Sinaai in een vierschaar, die ressorteerde onder de Keure van Waas.
De vierschaar werd bestuurd door een meier, een griffier en telkens vier schepenen uit beide
dorpsheerlijkheden. Zij vergaderde over algemene of financiële kwesties en kleinere strafzaken.
Onder het Franse bewind werd de vierschaar opgeheven. Krachtens de wet van 9 vendémiaire van
het jaar IV (1 oktober 1795) werd Belsele kantonhoofdplaats in het Scheldedepartement, met als
onderhorige gemeenten Daknam, Eksaarde, Elversele, Kemzeke, Sinaai, Sint-Pauwels, Tielrode en
Waasmunster. Dit statuut verdween na de Belgische onafhankelijkheid.
Tot de eerste helft van de twintigste eeuw behield Belsele zijn typisch karakter van Waas
landbouwdorp. De productie bleef tot 1850 hoofdzakelijk afgestemd op vlas en graan. Daarna
gebeurde een geleidelijke omschakeling naar veeteelt. Houthandel ten behoeve van de Wase
steenbakkerijen was een belangrijke economische factor in de negentiende eeuw. Daarnaast
bestonden er kleine ambachtelijke bedrijven, zoals brouwerijen, weverijen, klompen- en
schoenmakerijen.
In de twintigste eeuw vond een bescheiden reconversie plaats naar voeding, bouw en textiel.
Sinds de Tweede Wereldoorlog evolueerde Belsele tot een groene, residentiële woongemeente,
waarvan het gros van de beroepsbevolking naar Sint-Niklaas en in mindere mate naar Antwerpen
pendelt.
Het gehucht Puivelde vormt een afzonderlijke entiteit. In 1414 werd er een kapel opgericht, die
toegewijd was aan Sint Job. In 1801 werd de kapel een hulpkerk van Belsele. Pas rond 1900 werd
Puivelde een zelfstandige parochie.

NIEUWKERKEN-WAAS

Hoewel op het grondgebied van Nieuwkerken herhaald prehistorische vondsten gedaan werden,
zijn er nog geen overtuigende bewijzen van een permanente bewoning voor de christelijke
tijdrekening. Het Heemkundig Museum bezit enkele Gallo-Romeinse voorwerpen, opgedolven in
de Meesterstraat.
Omstreeks 1143 stond ten noordwesten van het huidige kerkplein een Onze-Lieve-Vrouwkapel,
waarrond een woonkern groeide. Anno 1294 werd Nieuwkerken als zelfstandige parochie
afgezonderd van Sint-Niklaas. De dorpskerk werd hetzelfde jaar ingewijd door pastoor Jacob van
Aertrycke. Tot het midden van de zestiende eeuw speelde de Boudelo-abdij (Sinaai) een hoofdrol
in de agrarische ontwikkeling van de gemeente.
Op juridisch vlak vormde Nieuwkerken met Sint-Niklaas een eenheid tijdens het ancien regime. Zij
hadden samen één vierschaar, met twee meiers en zeven schepenen. Nieuwkerken was in de
vierschaar vertegenwoordigd met één meier en drie schepenen, die evenwel op bestuurlijk gebied
hun eigen gemeente onafhankelijk konden beheren. De vierschaar vergaderde meestal te Sint-
Niklaas; eenmaal per jaar kwam zij in Nieuwkerken bijeen.
Tot 1656 werd het meiersambt ten voordele van de graaf van Vlaanderen periodiek verpacht aan
de meestbiedende. Daarna verkocht het hoofdcollege van Waas het ambt voor 1650 gulden aan de
familie De Jonghe, waardoor het een erfelijke functie werd.
Het dorp werd geregeld geconfronteerd met maatschappelijke onlusten en oorlogsgeweld. Het
kreeg onder meer af te rekenen met de godsdiensttroebelen in de periode 1560-1585 en met
talloze militaire opeisingen door Franse, Engelse en Spaanse legertroepen in de tweede helft van
de zeventiende eeuw.
Tot het begin van de twintigste eeuw was Nieuwkerken in hoofdzaak een agrarische gemeente,
gericht op de productie van vlas en graan. Veeteelt en fruitteelt waren nieuwe accenten bij de
aanpassing van de landbouwactiviteiten. Daarnaast waren er ook kleinschalige bedrijven, zoals
spinnerijen en weverijen, klompenmakerijen, houthandelszaken en vooral vlasserijen.
Sedert 1950 evolueerde Nieuwkerken vrij snel tot een groene woongemeente met een
ontoereikende plaatselijke tewerkstelling en een opvallende pendel naar Sint-Niklaas en
Antwerpen.

SINAAI

De betekenis van de naam "Sinaai" is vooralsnog onduidelijk. Negentiende-eeuwse historici legden
een onwaarschijnlijke link naar de legende van patroonheilige Catharina van Alexandrië, van wie
een kruisvaarder relikwieën zou meegebracht hebben vanop de Sinaïberg. Recent werd een
geloofwaardiger hypothese gelanceerd: "sin" zou verwant zijn aan "zwin" (een natuurlijke geul of
kreek in buitendijkse gronden) en "aai" aan "aa", "ee" (rivier); "Sinaai" zou dan zoveel betekenen als
"waterrijk gehucht".
Waarschijnlijk ontstond Sinaai als een Frankisch driesdorp in de periode 400-800. Het eerste
geschreven document over Sinaai-dorp is een oorkonde uit 1217, waarin de Doornikse bisschop
Gosuinus Sinaai en Sint-Niklaas loskoppelde van het geestelijk gebied van Waasmunster. In 1219
begiftigde gravin Johanna van Constantinopel beide jonge parochies met zes bunders land ten
behoeve van de priesters. De schenking aan Sinaai behelsde een rechthoekige strook grond, die
overeenkomt met de terreinen van de huidige Dries, gemeentehuis, kerk en kerkhof. Van 1234 tot
de Franse tijd was Sinaai bestuurlijk verenigd met Belsele in een vierschaar, die afhing van de
Keure van Waas.
Vanuit het dorpscentrum ontwikkelde Sinaai zich geleidelijk aan langs twee verkeersassen: de
baan Gent-Hulst en de verbindingsweg met de heerlijkheid Zwaanaarde. Een tweede groeipool
was een vertakking van de Hulstbaan vanuit Daknam naar Leebrug en Zwaanaarde.
Ongeveer zes kilometer ten noorden van de Sinaaise woonkern, te Klein-Sinaai, vestigde zich
omstreeks 1197 de monnikengemeenschap van Boudelo. Zij verdeelden hun tijd tussen gebed en
handenarbeid en ontpopten zich als meesters in het droogleggen van moerassen, het rooien van
bossen, het irrigeren, vruchtbaar maken en bebouwen van akkerland. Dankzij de gulheid van de
graven van Vlaanderen, de clerus en de Wase adel slaagde de abdij van Boudelo erin een
indrukwekkend grondbezit op te bouwen, vooral in de streek van Hulst en Axel en in het
Waasland. Naast het klooster bezat Boudelo toevluchtsoorden in Sint-Niklaas, Stekene, Hulst,
Antwerpen, Brugge en Gent, molens en hofsteden (bijvoorbeeld de Lysdonckhoeve in Sinaai). De
abdij beschikte over allerlei privileges en rechten, waardoor zij haar welstand kon verhogen:
vrijstellingen van tolgeld, cijnzen en renten, tienderechten en visrecht in de Durme. In 1578 werd
het klooster verwoest door Gentse calvinisten. Vanaf 1584 tot aan hun opheffing tijdens het
Franse bewind woonde de Boudelogemeenschap in haar refugiehuis te Gent.
Parallel met de agrarische expansie van Boudelo legden tal van meestal bescheiden
boerenbedrijven zich toe op landbouw en veeteelt. In 1408 waren er in Sinaai en Belsele samen
371 hofsteden, die 1963 bunders land bewerkten of gebruikten. De waterhuishouding was van
kapitaal belang voor de boerenbevolking. In de eerste helft van de vijftiende eeuw protesteerden
inwoners van Sinaai en van andere Wase gemeenten herhaaldelijk tegen de teloorgang van de
Lysdoncklede, die overstromingen veroorzaakte en schade berokkende aan de oogst en de
meersen. In 1438 vaardigden de bevoegde Gentse schepenen een bevel uit om de Lede te
verdiepen en verder te delven van aan het rabot (keersluis) van Boudelo tot aan de Durme te
Waasmunster.
De godsdiensttroebelen in de tweede helft van de zestiende eeuw lieten Sinaai niet onberoerd. De
rooms-protestantse twisten zaaiden tweedracht onder de bewoners en joegen verontruste burgers
op de vlucht. De Sinaaise pastoor werd verdreven en vervangen door een predikant. De schepenen
van Sinaai waren de nieuwe leer niet ongenegen en kantten zich niet tegen de pogingen om een
ander, hervormingsgezind hoofdcollege op de been te brengen. De economie viel stil. "Daar, waar
het schoone vee placht te grazen of de paarden ploeg en egge trokken door den klont, nestelden
nu gansche kudden wolven en maakten alzoo het landleven onveilig", schreven De Potter en
Broeckaert.
Na een korte herstelperiode onder de aartshertogen Albrecht en Isabella van Oostenrijk (1598-
1621), werd de dorpsgemeenschap meermaals het slachtoffer van Franse militaire invasies in de
jaren 1635-1713. De Oostenrijkse tijd bracht rust en stabiliteit. Sinaai behoorde met Vrasene, Sint-
Gillis, Sint-Pauwels en Daknam tot een groep van florerende, gezonde Wase landbouwgemeenten,
die tussen 1698 en 1803 een bevolkingsaanwas totaliseerden tussen 40 en 70 %. De gunstige
demografische evolutie kan deels verklaard worden door de verwezenlijking van openbare werken,
die arbeidskrachten aantrokken: de zuiveringsoperaties van de Moervaart (1740-1741 en 1778) en
van het Wase waterwegennet in het algemeen (1762-1780), en de aanleg van een weg van
Moerbeke over Eksaarde naar Sinaai (na 1729).
De revolte van de brigands tegen de Franse bezetting bracht grote commotie teweeg. Op 20
oktober 1798 kwam een opstandige menigte boeren en burgers Sinaai binnenvallen, hakte de
vrijheidsboom op de dries om en verbrandde de "registers uyt het wethuys". De daaropvolgende
week vielen er doden bij confrontaties van brigands en Franse legereenheden in Sinaai-dorp,
Zwaanaarde en rondom Sint-Niklaas. Op 28 oktober 1798 kwamen ca. 1000 Franse soldaten Sinaai
binnengemarcheerd; zij hadden bevel gekregen om alle parochianen te vermoorden. Door de
tussenkomst van oud-meier Verberckmoes werd aan Sinaai gratie verleend.
De fraaie, landelijke aanblik van Sinaai werd niet geschonden door de industrialisatiegolven van
de negentiende eeuw. Sinaai leverde wel arbeiders voor de fabrieken in de naburige steden
Lokeren en Sint-Niklaas, maar bezat zelf omzeggens geen nijverheid van betekenis. In 1825 waren
er wel drie textielbedrijven en diverse brouwerijen werkzaam. Tegenover het blijvende belang van
de boerenstiel en de kleine ambachten en middenstand waren deze vormen van industriële
productie veeleer randfenomenen. In 1819 werd bij koninklijk besluit een wekelijkse markt
toegelaten te Sinaai.
Momenteel is de landbouw voornamelijk afgestemd op de veeteelt. De klassieke textielverwerking
kwijnde geleidelijk aan weg sedert 1900. Net als de beide andere deelgemeenten Belsele en
Nieuwkerken evolueerde ook Sinaai tot een groene woongemeente, waarvan een groot deel van
de beroepsbevolking aangewezen is op pendelarbeid.